Huib Struycken schreef een kritisch stuk over de Wet Administratieve Handhaving Verkeersboetes (de-wahv-kritisch-beschouwd). Daags later ontving hij van de Raad van State een uitspraak waarin zij onder 7.1 als standpunt hebben ingenomen dat de kentekenregistratie met terugwerkende kracht vervallen dient te worden tot het moment van de sloop van het voertuig. De Afdeling overweegt:
De Afdeling is van oordeel dat de RDW zich echter niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant sub 2] ook na de datum waarop het voertuig is gesloopt nog binding had met de tenaamstelling. Vanaf die datum werd immers niet meer met het voertuig deelgenomen aan het verkeer en kon het voertuig of onderdelen daarvan ook niet meer worden verhandeld. Met het voertuig kon daarna niets meer gebeuren omdat het niet meer bestond, zodat het doel van de registratie en de reden om in beginsel geen terugwerkende kracht te verlenen aan het vervallen van de tenaamstelling, vanaf dat moment hun betekenis hebben verloren. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat [appellant sub 2] nog deel heeft aan de tenaamstelling. Door vervallenverklaring met terugwerkende kracht tot het moment van de sloop van het voertuig te weigeren heeft de RDW niet een juist evenwicht bewerkstelligd tussen het belang van een juiste registratie en het belang van [appellant sub 2] bij correctie met terugwerkende kracht van de registratie. De RDW heeft derhalve voor de periode teruglopend tot de sloop van het voertuig op 17 november 2006 ten onrechte geen terugwerkende kracht verleend aan de vervallenverklaring van de tenaamstelling als bedoeld in artikel 40c, derde lid, van het Kentekenreglement.

Huib Struycken : “Mijns inziens is de betekenis van deze overweging dat niet meer beboet kan worden op basis van registervergelijking indien niet vaststaat , bewijs is geleverd door de boeteoplegger, dat het voertuig in de zin van de WVW nog bestaat.

De Afdeling bestuursrecht is niet ingegaan op het betoog dat de WAHV niet EU-proof is omdat de boeteoplegging ten aanzien van grensoverschrijdend verkeer en de gevolgen daarvan tot onaanvaardbare verschillen leiden tussen EU-ingezetenen die in Nederland wonen en andere EU-ingezetene. In het onderhavige geval was betrokkene met de auto naar Oostenrijk verhuisd. De Auto had een Oostenrijks kenteken en was gekeurd ingevolge de Oostenrijkse wet. Desondanks kreeg betrokkene boetes opgelegd op basis van registervergelijking door de RDW en werden 8 machtigingen gegeven door de rechtbank te Leeuwarden tot gijzeling van betrokkene. Toen betrokkene in Nederland terugkeerde werd ze zonder pardon voor 28 dagen gegijzeld. Betrokkene heeft nooit in Oostenrijk post ontvangen van de zijde van de RDW en/of het CVOM. De jurisdictie en de oplegging van boetes kan niet worden bepaald door waar een voertuig is geregistreerd. Nederland had geen internationale bevoegdheid.”

ECLI:NL:RVS:2016:2681